Als onderdeel van het promotieonderzoek van Rosa binnen DigiMig heeft zij 6 maanden in Rotterdam gewoond om o.a. interviews te doen met gezinnen. In die periode sprak zij met twintig gezinnen (met een focus op Turks-Nederlands, Marokkaans-Nederlands en Surinaams-Nederlands) in Rotterdam e.o., telkens met een ouder en een kind tussen de 8 en 15 jaar. Hieronder volgt een reflectie vanuit de ik-vorm op deze veldwerkperiode.
Al vrij snel werd mij duidelijk dat Rotterdam veel investeert in digitale inclusie en inclusie in het algemeen. Er is niet alleen beleid op gemeentelijk niveau, maar ook een vrij uitgebreid netwerk van organisaties en initiatieven die allemaal lokaal en regionaal iets doen met digitale inclusie. Via onder andere het Netwerk Digitale Inclusie kwam ik in contact met verschillende partijen zoals bijvoorbeeld Bibliotheek Rotterdam, SPIOR, Wijkstation en Goud van Noord.
Wat mij opvalt is dat veel ondersteuning op het gebied van digitale geletterdheid lokaal georganiseerd is per wijk. In huizen van de wijk, bibliotheken en buurtcentra wordt veel georganiseerd, dit is vaak dichtbij huis en meer ingebed in bestaande sociale structuren. Dat maakt het laagdrempelig en erg open, maar tegelijkertijd ook ingewikkeld om het overzicht te bewaren.
In de gesprekken met gezinnen viel het op hoe sterk het dagelijkse leven zich vaak binnen de eigen wijk afspeelt. Activiteiten voor kinderen, sportles, ondersteuning voor ouders, sociale contacten, veel gebeurt in de wijk. Dat is niet alleen praktisch maar ook samenhangend met een gevoel van vertrouwen en bekendheid. Die sterke wijkgerichtheid betekent ook dat toegang tot ondersteuning vaak via informele netwerken verloopt. Mensen weten elkaar te vinden, maar dat gebeurt vaak via via.
Naast (non)formele cursussen zoals bijvoorbeeld smartphone en computercursussen ontwikkeld via leerprogramma’s zijn er ook andere vormen van leren zichtbaar. Een voorbeeld dat me bijbleef is het Tea Time “leren bij de buren” digitaliseringsproject van Ömer Hünkar Ilik waarin digitale vaardigheden worden gedeeld in een informele setting, thuis. Er is geen strict model, maar samenkomen, praten, en ondertussen van elkaar leren. Initiatieven zoals deze bouwen voort op bestaande relaties en laten zien dat digitale inclusie ook iets collectiefs is.
Tegelijkertijd zit er een spanning tussen wat er is en wat er gevonden wordt door mensen die hulp bij digitale vaardigheden kunnen gebruiken. Er is veel aanbod, cursussen, spreekuren, ondersteuning, maar juist voor mensen met minder digitale vaardigheden is het niet vanzelfsprekend om dit te vinden. “Toegang” is dus niet iets wat alleen te maken heeft met online of fysieke zichtbaarheid, maar ook met bereikbaarheid in het dagelijks leven van mensen. Is er bijvoorbeeld ook aanbod voor mensen in de avonduren? Of in andere talen dan Nederlands?
Wat me daarnaast opviel, is dat structurele ondersteuning rondom digitale opvoeding minder aanwezig lijkt. Er zijn zeker losse initiatieven en online webinars, en ouderavonden, maar een doorlopend lokaal aanbod voor ouders en kinderen rondom mediagebruik en opvoeding kwam ik niet tegen. Dat is interessant, omdat juist in de gesprekken met ouders en kinderen digitale opvoeding een terugkerend onderwerp was, van zowel schermtijd als online contact.
Reflecties van het veldwerk
De interviews zelf vonden plaats in allerlei settings: aan de keukentafel, op de bank, op de grond, soms met het hele gezin erbij, soms in een aparte ruimte, en af en toe op een locatie zoals een bibliotheek of buurtcentrum. Een groot deel van de interviews viel samen met de ramadan. Hoewel dat betekende dat er overdag niet gegeten of gedronken werd, werd ik vaak alsnog ontvangen met een vanzelfsprekende gastvrijheid. Twee keer werd ik zelfs uitgenodigd om mee te eten tijdens de iftar. Dat soort momenten maken indruk, juist omdat ik als onderzoeker en buitenstaander toch werd meegenomen. Tegelijkertijd bracht het veldwerk ook vragen met zich mee over mijn eigen positie. Als witte, hoogopgeleide onderzoeker, zonder kinderen, kom ik bij mensen thuis in hun privésfeer. Ik ben me bewust van de ongelijkheid die daarin kan zitten. Soms hielpen kleine dingen om het gesprek iets meer wederkerig te maken, zoals het meenemen van Fries suikerbrood (daar kom ik vandaan) of het dingen delen over mijn eigen achtergrond en hoe ik ben opgegroeid, zowel als het delen van gelijkenissen.

